Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

`We hebben hier al genoeg flauwe kul uit Den Haag`

Tijdens onze wekelijkse biljartbijeenkomsten in het Dorpshuis komt het wel eens voor dat de stootbal op het groene laken zó ver weg ligt dat je er moeilijk bij kan met je keu.
Soms volstaat het dan om met je rug naar het biljart te gaan staan en met de keu achter je rug om te stoten. Toen ik dat voor het eerst zag, dacht ik dat dat een soort show was. Zo van: kijk mij eens goed kunnen biljarten! Maar achteraf bleek een dergelijke stand toch bittere noodzaak en heb ik hem zelf -meer dan me lief was- moeten innemen.

Maar vaak helpt ook dat niet. En in zo’n geval wringt men zich in de meest wonderlijke bochten om bij de stootbal te kunnen. De spelregels vereisen dat je daarbij tenminste met één voet (of teen) de grond moet blijven raken. Dus dan gaat er één been omhoog voor het evenwicht, de buik wordt min of meer op het groene laken gelegd, en met de armen vooruit wordt de keu daarbij gericht op het doel. Een dergelijke escapade eindigt nochtans vaak in een desastreuze botsing van pomerans en stootbal, door insiders betiteld als ‘kets’.

Vroeger biljarte ik ook regelmatig in Den Haag en daar heb ik, door schade en schande wijs geworden, ooit eens een zogenoemde ‘hulpkeu’aangeschaft. Dat is een middel om die ver liggende ballen met wat meer succes te lijf te gaan. Een soort keu dus, met aan het eind in plaats van een pomerans een kruis of een brug. Waar je je gewone keu op kunt leggen teneinde wat meer precisie aan de dag te leggen.
Die hulp-keu heb ik natuurlijk met mijn verhuizing meegenomen naar Zeeland. En staat thans -permanent en voor een ieder ter beschikking- naast het rek met keu’s in het biljartzaaltje van het Dorpshuis in ons dorp.

De eerste keer dat ik ten overstaan van mijn biljartvrienden in Zeeland gebruik maakte van die hulp-keu was er, en nu druk ik me voorzichtig uit, sprake van enige ontsteltenis. Hetgeen ertoe leidde dat ik de keer daarop een uitdraai uit mijn computer moest meenemen waar zwart op wit op stond, dat het hanteren van een hulp-keu reglementair volstrekt legitiem is.

En toen het de keren daarna wel eens voorkwam, dat ook mijn Zeeuwse biljartvrienden wellicht méér kans op een carambole zouden maken als ze gebruik zouden maken van de hulpkeu, wees ik ze vriendelijk op het bestaan daarvan.
Maar nee. Nog steeds wringen ze zich liever in allerlei bochten dan dat ze de hulp-keu ter hand nemen.
‘Wij Zeeuwen staan ons mannetje en dat kan heel goed zonder al die flauwe kul uit Den Haag’. Onder dat motto lijken ze -tot op heden- liever hun eigen tradities trouw te blijven dan dat ze gebruik wensen te maken van innovatieve uitingen en moderne inzichten zoals een hulp-keu. Tradities die ik zonder meer heb te respecteren. En dat doe ik natuurlijk graag.
Mits ik tenminste zelf wèl gebruik mag maken van de hulp-keu.

En toch…, toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat mijn Zeeuwse biljartvrienden in het diepst van hun gedachten van mening zijn dat mensen, afkomstig uit Den Haag, eigenlijk een beetje zielige stakkers zijn die hulp-keuen en anders hatseflats nodig hebben om aan hun trekken komen.

En laten we eerlijk zijn: helemaal ongelijk kan ik ze daarin niet geven.
 
Geplaatst op: Donderdag 13 april 2017 om 22:00 uur
1308720
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld