Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Witte gedaantes in de mist

Tijdens onze pogingen om alle oevers en kusten van Zeeland aan te doen, belandden mevrouw Pasgeld en ik vorige week in het verdronken land van Saeftinghe. Dat is een eenzame, uitgestrekte brakwaterwildernis aan de Westerschelde in het oosten van Zeeuws Vlaanderen.

Gedurende de ‘wandeling’ langs geulen, slikken, schorren, zandplaten en oeverwallen werd ik geleidelijk aan overvallen door het intense besef dat er oneindig veel meer is dan al die menselijke flauwe kul waar we ons met z’n allen vrijwel uitsluitend mee bezig houden. Wat een pracht! Wat een stilte! Dat is nog eens wat anders, dacht ik, dan al die verdichting en ontgroening, al die haast, herrie en hoogbouw in de steden.

Zo liep ik daar in dat verdronken land wat voor me uit te peinzen totdat ik ineens weer op mijn eigen breekbaarheid en sterfelijkheid werd gewezen.
Dat kwam zo: de sporen die door vorige wandelaars in het landschap waren achtergelaten waren meestal wel te volgen. Bovendien had men hier en daar langs de makkelijkste routes houten paaltjes met een witgeverfde bovenkant neergezet. Zodat niemand daar echt hoefde te verdwalen of vast te lopen.

Maar soms was deze globale route zo modderig, of zelfs volgelopen met water, dat we onze weg naast dat pad in wat hogere begroeiing moesten zoeken. En ineens stond ik dus tot mijn schouders in dat verdronken land van Saeftinghe. Bijna zelf verdronken. Mevrouw Pasgeld wist me er met enige moeite weer uit te krijgen. Maar ik had dus wel -zoals we dat vroeger noemden- twee zeikpoten van heb ik jou daar. Mijn broek en zelfs mijn vest zaten onder de modder.
Daar kwam nog bij, dat we nergens meer houten paaltjes met witgeverfde bovenkanten zagen.

En ineens dacht ik. Zo moet het ergens begonnen zijn. De behoefte aan bestrating, aan wegbewijzering, aan een overheid die ons in de watten legt. Onze beschaving is in feite niet meer dan één grote strijd tegen de natuur. En ik dacht aan de legendes, die hier in Zeeland de ronde doen over het verloren land.

Zoals dat verhaal over de Plompetoren aan de noordoever van de Oosterschelde in Schouwen waar we een vorige keer wandelden. Daar verdronk ook een een flink stuk land.
Dat kwam zo: vissers vingen daar een zeemeermin die zij aanwendden voor eigen gebruik. Dat vond de zeemeerman van die zeemeermin natuurlijk niet leuk en nam wraak door een vloek uit te spreken waardoor het hele dorp Koudekerke onder water verdween en er allen nog maar een Plompetoren uit het water stak.

Die legende vertoont trouwens veel overeenkomsten met het verhaal over hoe het verdronken land van Saeftinghe -waarin ooit de dorpjes Saeftinghe, Namen, Sint Laurens en Casuwele lagen- onder water kwamen te staan. Ook hier weer een visser die een zeemeermin ving. De zeemeerman van deze zeemeermin vroeg haar netjes terug. Maar dat deed die visser niet. De zeemeerman sprak daarop: ‘Het land van Saeftinge zal vergaan. Alleen zijn torens zullen blijven bestaan!’. Die torens zijn inmiddels ook verdwenen. Het enige wat daar nog rest zijn witte gedaanten in de mist. Dat kunnen natuurlijk geesten zijn van verdronken mensen.

Maar als je goed kijkt is het niet geheel onmogelijk dat dat mevrouw Pasgeld en ik zijn. Van boven tot onder bemodderd. En bibberend van de kou op zoek naar houten paaltjes met een wit-beschilderde bovenkant.
 
Geplaatst op: Vrijdag 21 april 2017 om 08:32 uur
1279104
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld