Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Zeemeerminnen in Zeeland

Tijdens onze tochten door Zeeland zijn we nu al drie zeemeerminnen tegengekomen, die steeds hetzelfde hebben moeten doormaken. Alleen de details verschillen.
De eerste zwom lang geleden in de Oosterschelde nabij Westerschouwen. Daar haalden vissers ooit een enorm gevaarte op met armen, een hoofd en een grote staart. Met haar lange, groenblauwe haren zat ze wanhopig verstrengeld in het net en ze huilde grote, zilte tranen. Haar man (een zeemeerman dus) zwom in paniek rond de boot met hun kind in z’n armen. Hij smeekte om vrijlating van z’n vrouw. Maar de wrede vissers trokken zich daar niets van aan en hesen vol trots de zeemeermin aan wal, waar ze door het hele dorp werd bekeken voordat ze tenslotte uitgeput stierf op de kade. De zeemeerman was verscheurd door woede en verdriet, smeet handenvol zand en wier op de kade en riep een vloek uit over het dorp.
Binnen een paar jaar was de haven van Westerschouwen verzand en werd de bevolking zo arm, dat ze als bedelaars rond het eiland moesten trekken. De vloek verplaatste zich landinwaards waar het vredige dorp Koudekerke moest wijken voor het water. Alleen de Plompetoren werd gespaard. Die staat er nog steeds. Eenzaam aan de kust. Wie de toren beklimt en goed luistert kan ineens een stem in de verte horen galmen:
‘Westerschouwen, ’t zal u rouwen
Dat ge heeft geroofd mijn vrouwe.
Westerschouwen zal vergaan
Alleen de toren blijft bestaan’.

De tweede zeemeermin overkwam ongeveer hetzelfde. Maar deze keer op de plek waar zich nu Het Verdronken land van Saeftinge bevindt. Vroeger was er echter land dat de bewoners ‘met ydelheyt en hooveerdigheyt dusdanig gecorrumpeerd hadden, dat ze in syde ghecleed gingen en hun paarden met silver hadden besleghen en gouden durpels voor hun huusen hadden gheleyt. Ook maeckte hun quathede de inwoners blindt en dove voor de wondere voorteeckene en maninghe van hangende straffen’.
Ook hier ving een schipper een zeemeermin. En ook hier smeekte de zeemeerman om zijn wijfke terug te krijgen. Ook tevergeefs.
De zeemeerman brulde: ‘t Landt van Saeftinghe zal verghaen, alleen de toorens sullen blyven staen’.
‘De inwoonders keerden zich weer tot hun slemperijen en vonden geen tyt hunne dycken te voorsiene. En zie: op Alderheyligen anno 1570 quam eene onstuymighe vloet de rijcke polders inunderen en werd Saeftingh duer de see verswolgen.’
Als je nu bij eb door dat verdronken land loopt, kan je nog soms de klokken nog horen luiden ‘tot onse aller vermaeninge’.

De derde zeemeermin heette Hildegonda. Toen ze werd gevangen riep ze: ‘Visser, ik ben Hildegonda. Ik ben verdwaald, man. Laat me weer vrij’. De visser bedacht echter een hebzuchtig plan. Hij zou haar meenemen en haar tentoonstellen op de markt in Oostburg. Rijkdom zou hem ten deel vallen. Hildegonda smeekte en jammerde dat het een aard had.
Toen kwam er toevallig een man uit Waterlandkerkje op z’n paard langs en hoorde de huilende zeemeermin. Hij bedacht zich geen moment, gooide de Oostburgenaar in het water en bevrijdde Hildegonda. Die zwom dankbaar weg. Maar niet nadat ze een spreuk had uitgesproken:
‘De wereld zal eenmaal vergaan, slechts Waterlandkerkje blijft eeuwig bestaan’. Daarna dook ze onder en liet zich nooit meer zien.
 
Geplaatst op: Donderdag 1 maart 2018 om 08:29 uur
1447041
bezoekers
© 2018 - Julius Pasgeld